Lectionary Calendar
Sunday, July 14th, 2024
the Week of Proper 10 / Ordinary 15
Attention!
Take your personal ministry to the Next Level by helping StudyLight build churches and supporting pastors in Uganda.
Click here to join the effort!

Bible Commentaries
Leviticus 27

Dächsel BijbelverklaringDächsel Bijbelverklaring

Zoek naar…
Enter query below:

Inleiding

Bijbelverkaring van Dchsel, LEVITICUS 27

Leviticus 27:1.

OVER GELOFTEN EN TIENDEN.

I. Leviticus 27:1-Leviticus 27:34. Als een aanhangsel op de Sinaïtische wetgeving volgen nu nog de bepalingen over de geloften, die als vrijwillige daad van godsvrucht eigenlijk buiten de wet stonden, in zoverre zij door deze niet werden geëist, maar ook konden nagelaten worden, zonder dat, daarom het Verbond met God verbroken werd; die echter ook een regeling door de wet nodig hadden, om met de geest van de wet overeen te komen.

Inleiding

Bijbelverkaring van Dchsel, LEVITICUS 27

Leviticus 27:1.

OVER GELOFTEN EN TIENDEN.

I. Leviticus 27:1-Leviticus 27:34. Als een aanhangsel op de Sinaïtische wetgeving volgen nu nog de bepalingen over de geloften, die als vrijwillige daad van godsvrucht eigenlijk buiten de wet stonden, in zoverre zij door deze niet werden geëist, maar ook konden nagelaten worden, zonder dat, daarom het Verbond met God verbroken werd; die echter ook een regeling door de wet nodig hadden, om met de geest van de wet overeen te komen.

Vers 1

1. Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

Vers 1

1. Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

Vers 2

2. Spreukenek tot de kinderen van Israël en zeg tot hen: Wanneer iemand bij zijn gebed om redding of om de gave van iets goeds, een gelofte voor de Heere zal afgezonderd hebben, dat hij Hem voor die gave iets ten offer wil brengen, naar uw schatting zullen de zielen van de HEERE zijn; gij zult naar priesterlijke schatting tegen geld het beloofde offer van de ziel, d.i. van de persoonlijkheid inruilen, wanneer hij, die het beloofd heeft, zijn gelofte vervult.

Vers 2

2. Spreukenek tot de kinderen van Israël en zeg tot hen: Wanneer iemand bij zijn gebed om redding of om de gave van iets goeds, een gelofte voor de Heere zal afgezonderd hebben, dat hij Hem voor die gave iets ten offer wil brengen, naar uw schatting zullen de zielen van de HEERE zijn; gij zult naar priesterlijke schatting tegen geld het beloofde offer van de ziel, d.i. van de persoonlijkheid inruilen, wanneer hij, die het beloofd heeft, zijn gelofte vervult.

Vers 3

3. Als uw schatting van een man, de regel volgens welke de priester schat, zal zijn van twintig jaar oud, tot een die zestig jaar oud is, dan zal uw schatting voor een man zijn van vijftig sikkels zilver, naar de sikkel van het heiligdom, d.i. voor een man, 50 zilveren sikkels.

Vers 3

3. Als uw schatting van een man, de regel volgens welke de priester schat, zal zijn van twintig jaar oud, tot een die zestig jaar oud is, dan zal uw schatting voor een man zijn van vijftig sikkels zilver, naar de sikkel van het heiligdom, d.i. voor een man, 50 zilveren sikkels.

Vers 4

4. Maar is het een vrouw, dan zal uw schatting zijn dertig sikkels.

Vers 4

4. Maar is het een vrouw, dan zal uw schatting zijn dertig sikkels.

Vers 5

5. En is het van een, die vijf jaar oud is, tot een die twintig jaar oud is, zo zal uw schatting van een man twintig sikkels zijn, en voor een vrouw tien sikkels.

Vers 5

5. En is het van een, die vijf jaar oud is, tot een die twintig jaar oud is, zo zal uw schatting van een man twintig sikkels zijn, en voor een vrouw tien sikkels.

Vers 6

6. Maar is het van een, die een maand oud is, tot een, die vijf jaar oud is, zo zal uw schatting van een man zijn vijf sikkels zilver, en uw schatting over een vrouw, zal zijn drie sikkels zilver.

Vers 6

6. Maar is het van een, die een maand oud is, tot een, die vijf jaar oud is, zo zal uw schatting van een man zijn vijf sikkels zilver, en uw schatting over een vrouw, zal zijn drie sikkels zilver.

Vers 7

7. En is het van een, die zestig jaar of ouder is (Leviticus 27:3), is het een man, zo zal uw schatting zijn vijftien sikkels, en voor een vrouw tien sikkels.

Vers 7

7. En is het van een, die zestig jaar of ouder is (Leviticus 27:3), is het een man, zo zal uw schatting zijn vijftien sikkels, en voor een vrouw tien sikkels.

Vers 8

8. Maar zo hij armer is dan uw schatting, te arm om de met uw schatting overeenkomende som aan het heiligdom te kunnen betalen als lossing, zo zal hij zich voor het aangezicht van de priester zetten, opdat de priester hem naar een andere maatstaf dan die van de wet schatte, naar dat de hand van hem, die de gelofte gedaan heeft, zal kunnen verkrijgen, zal de priester hem schatten, dus naar de maatstaf van zijn vermogen, opdat het ook een arme mogelijk zij, voor zijn persoon de Heere een gelofte doen.

De geloften zijn, net als de offers, zeer oud (Genesis 28:20, Job 22:27 ) en worden bij alle volkeren aangetroffen (Jonah 1:10). Zij bestaan in de belofte God iets te geven, of Hem ter ere zich van een anders veroorloofd genot te onthouden en gaan deels van de veronderstelling uit, dat men daardoor iets doet, wat Hem welgevallig is en waardoor men dan Zijn bijzondere genade deelachtig wordt; deels wordt daarmee bedoeld in een buitengewoon geval, waarin men de hulp van God dringend nodig heeft, zich daardoor van deze hulp te verzekeren, dat men reeds vooraf zich plechtig tot een wederdienst verbindt. De bepalingen van de wet laten zich tot de twee volgende hoofdstellingen beperken: 1. Wanneer gij geen geloften doet, wordt dat u niet als zonde toegerekend; maar wat gij beloofd hebt, zult gij houden en zult doen wat gij de Heere, uw God vrijwillig hebt beloofd (Deuteronomy 23:22); 2. Gij moogt de Heere niets beloven wat Hem reeds toebehoort, of waardoor Zijn door de wet geheiligde orde verbroken wordt, of waaraan zonde en schande kleeft (Leviticus 27:26, Numbers 30:4, Deuteronomy 23:18 ). Ook mag nimmer iets dat minder in waarde is dan het eigenlijk beloofde Hem als betaling van de gelofte toegebracht worden, om daardoor met Hem op een effen voet te komen (Leviticus 27:10). Daar de geloften in zich sluiten f de belofte van een toewijding aan God, f een onthouding van iets tot Zijn ere, onderscheidt de wet deels toewijdings-, deels onthoudingsgeloften. Tot de laatste behoort vooral het in Numbers 6:1 nader te ontwikkelen Nazireeërschap en het in Numbers 30:14 vermelde vasten; terwijl wij in dit hoofdstuk alleen met toewijdingsgeloften te doen hebben. En zo worden alle dingen, die men de Heere beloven kan, opgenoemd: 1. een mens, (Leviticus 27:2-Leviticus 27:8), 2. een dier, (Leviticus 27:9-Leviticus 27:13), 3. een huis, (Leviticus 27:14,Leviticus 27:15), 4. een stuk grond (Leviticus 27:16-Leviticus 27:25). Wat nu de gelofte van mensen aangaat, kon men f zichzelf f een van zijn onderhorigen de Heere tot een bijzonder eigendom beloven, want in het algemeen waren allen in Israël het eigendom van de Heere (Exodus 19:5) en moesten zich als zodanig beschouwen ook ten gevolge van de heiliging van de eerstgeborenen, waarin, als in de kern van het gehele volk, de Heere hen allen tezamen zich geheiligd had (zie Ex 13:2). Die zo zichzelf de Heere beloofd had, of door zijn ouders of heersers Hem beloofd was, was daardoor een lijfeigene van het heiligdom geworden en had eigenlijk met het maatschappelijk leven niets meer te maken, maar moest in zoverre hij als leek daartoe in de gelegenheid was, in de tent der samenkomst dienst doen. Zoals intussen de eerstgeborene bij mensen moest gelost worden (Exodus 13:13; Exodus 34:20 Numbers 18:16 ) en wellicht ook hij zich lossen moest, die door aanraking met het Allerheiligste heilig was geworden (zie Leviticus 6:18), zo kocht ook hij, die beloofd was, zich los of werd losgekocht en was het geld daarvoor betaald, in zijn plaats voor de dienst van het heiligdom (2 Kings 12:4). Bij de bepaling van de prijs van de waarde, waarvoor hij zichzelf lossen of gelost worden moest, kwam volgens de bovenstaande verzen zowel zijn ouderdom als zijn geslacht in aanmerking; het meest had hij te betalen, die zich op de leeftijd van de hoogste levenskracht bevond, maar het vrouwelijk geslacht als het zwakkere deel (1 Peter 3:7) betaalde op iedere leeftijd maar de helft, waarbij voor de getallen 50, 15, 5, de ronde sommen 30, 10, 3 als de helft werden gerekend (Leviticus 27:3,Leviticus 27:6,Leviticus 27:7)..

Vers 8

8. Maar zo hij armer is dan uw schatting, te arm om de met uw schatting overeenkomende som aan het heiligdom te kunnen betalen als lossing, zo zal hij zich voor het aangezicht van de priester zetten, opdat de priester hem naar een andere maatstaf dan die van de wet schatte, naar dat de hand van hem, die de gelofte gedaan heeft, zal kunnen verkrijgen, zal de priester hem schatten, dus naar de maatstaf van zijn vermogen, opdat het ook een arme mogelijk zij, voor zijn persoon de Heere een gelofte doen.

De geloften zijn, net als de offers, zeer oud (Genesis 28:20, Job 22:27 ) en worden bij alle volkeren aangetroffen (Jonah 1:10). Zij bestaan in de belofte God iets te geven, of Hem ter ere zich van een anders veroorloofd genot te onthouden en gaan deels van de veronderstelling uit, dat men daardoor iets doet, wat Hem welgevallig is en waardoor men dan Zijn bijzondere genade deelachtig wordt; deels wordt daarmee bedoeld in een buitengewoon geval, waarin men de hulp van God dringend nodig heeft, zich daardoor van deze hulp te verzekeren, dat men reeds vooraf zich plechtig tot een wederdienst verbindt. De bepalingen van de wet laten zich tot de twee volgende hoofdstellingen beperken: 1. Wanneer gij geen geloften doet, wordt dat u niet als zonde toegerekend; maar wat gij beloofd hebt, zult gij houden en zult doen wat gij de Heere, uw God vrijwillig hebt beloofd (Deuteronomy 23:22); 2. Gij moogt de Heere niets beloven wat Hem reeds toebehoort, of waardoor Zijn door de wet geheiligde orde verbroken wordt, of waaraan zonde en schande kleeft (Leviticus 27:26, Numbers 30:4, Deuteronomy 23:18 ). Ook mag nimmer iets dat minder in waarde is dan het eigenlijk beloofde Hem als betaling van de gelofte toegebracht worden, om daardoor met Hem op een effen voet te komen (Leviticus 27:10). Daar de geloften in zich sluiten f de belofte van een toewijding aan God, f een onthouding van iets tot Zijn ere, onderscheidt de wet deels toewijdings-, deels onthoudingsgeloften. Tot de laatste behoort vooral het in Numbers 6:1 nader te ontwikkelen Nazireeërschap en het in Numbers 30:14 vermelde vasten; terwijl wij in dit hoofdstuk alleen met toewijdingsgeloften te doen hebben. En zo worden alle dingen, die men de Heere beloven kan, opgenoemd: 1. een mens, (Leviticus 27:2-Leviticus 27:8), 2. een dier, (Leviticus 27:9-Leviticus 27:13), 3. een huis, (Leviticus 27:14,Leviticus 27:15), 4. een stuk grond (Leviticus 27:16-Leviticus 27:25). Wat nu de gelofte van mensen aangaat, kon men f zichzelf f een van zijn onderhorigen de Heere tot een bijzonder eigendom beloven, want in het algemeen waren allen in Israël het eigendom van de Heere (Exodus 19:5) en moesten zich als zodanig beschouwen ook ten gevolge van de heiliging van de eerstgeborenen, waarin, als in de kern van het gehele volk, de Heere hen allen tezamen zich geheiligd had (zie Ex 13:2). Die zo zichzelf de Heere beloofd had, of door zijn ouders of heersers Hem beloofd was, was daardoor een lijfeigene van het heiligdom geworden en had eigenlijk met het maatschappelijk leven niets meer te maken, maar moest in zoverre hij als leek daartoe in de gelegenheid was, in de tent der samenkomst dienst doen. Zoals intussen de eerstgeborene bij mensen moest gelost worden (Exodus 13:13; Exodus 34:20 Numbers 18:16 ) en wellicht ook hij zich lossen moest, die door aanraking met het Allerheiligste heilig was geworden (zie Leviticus 6:18), zo kocht ook hij, die beloofd was, zich los of werd losgekocht en was het geld daarvoor betaald, in zijn plaats voor de dienst van het heiligdom (2 Kings 12:4). Bij de bepaling van de prijs van de waarde, waarvoor hij zichzelf lossen of gelost worden moest, kwam volgens de bovenstaande verzen zowel zijn ouderdom als zijn geslacht in aanmerking; het meest had hij te betalen, die zich op de leeftijd van de hoogste levenskracht bevond, maar het vrouwelijk geslacht als het zwakkere deel (1 Peter 3:7) betaalde op iedere leeftijd maar de helft, waarbij voor de getallen 50, 15, 5, de ronde sommen 30, 10, 3 als de helft werden gerekend (Leviticus 27:3,Leviticus 27:6,Leviticus 27:7)..

Vers 9

9. En indien het beloofde een beest is en wel zulk een beest, waarvan men de HEERE offerande offert, een rund, schaap of geit: al wat hij daarvan, van dit vee, de HEERE zal gegeven hebben, zal van het ogenblik af dat het beloofd werd, heilig zijn, zodat de bezitter zijn eigendomsrecht daarop heeft verloren.

Vers 9

9. En indien het beloofde een beest is en wel zulk een beest, waarvan men de HEERE offerande offert, een rund, schaap of geit: al wat hij daarvan, van dit vee, de HEERE zal gegeven hebben, zal van het ogenblik af dat het beloofd werd, heilig zijn, zodat de bezitter zijn eigendomsrecht daarop heeft verloren.

Vers 10

10. Hij zal daarom niet vermangelen, noch het verwisselen, gevende een goed voor een kwaad met een goede bedoeling, of een kwaad voor een goed, met een zelfzuchtige bedoeling; indien hij nochthans een beest voor een beest enigszins verwisselt, zo zal dit, en wat daarvoor verwisseld is, zowel dit eerste als het tweede beest, de Heere heilig zijn, 1) daar het eerste, als reeds volgens (Leviticus 27:9) heilig, de Heere niet weer kan ontnomen worden.

1) Hiermee wil de Heere zeggen, dat, wanneer een beest de Heere beloofd is, het niet terug mag genomen worden. Het mocht niet vermangeld, d.i. geruild worden tegen een ander of verwisseld met een ander. Het beloofde moest de Heere gegeven worden. Was het echter zo, dat het wegens een of ander gebrek niet op het altaar mocht komen, en werd het daarom voor een ander verruild, dan moest het eerste aan de priester tot levensonderhoud worden gegeven, en het andere de Heere geofferd, want beide dieren waren heilig, d.i. de Heere gewijd..

Vers 10

10. Hij zal daarom niet vermangelen, noch het verwisselen, gevende een goed voor een kwaad met een goede bedoeling, of een kwaad voor een goed, met een zelfzuchtige bedoeling; indien hij nochthans een beest voor een beest enigszins verwisselt, zo zal dit, en wat daarvoor verwisseld is, zowel dit eerste als het tweede beest, de Heere heilig zijn, 1) daar het eerste, als reeds volgens (Leviticus 27:9) heilig, de Heere niet weer kan ontnomen worden.

1) Hiermee wil de Heere zeggen, dat, wanneer een beest de Heere beloofd is, het niet terug mag genomen worden. Het mocht niet vermangeld, d.i. geruild worden tegen een ander of verwisseld met een ander. Het beloofde moest de Heere gegeven worden. Was het echter zo, dat het wegens een of ander gebrek niet op het altaar mocht komen, en werd het daarom voor een ander verruild, dan moest het eerste aan de priester tot levensonderhoud worden gegeven, en het andere de Heere geofferd, want beide dieren waren heilig, d.i. de Heere gewijd..

Vers 11

11. En indien het beloofde enig onrein beest is, 1) van hetgeen men de HEERE geen offerande offert, b.v. een ezel, zo zal hij dat beest, daar het ten voordele van het heiligdom moet verkocht worden, tot schatting van zijn waarde voor het aangezicht van de priester zetten.

1) Mozes handelt nu over de stomme dieren, welke hij beveelt, de Heere te offeren, indien zij voor offeranden geschikt waren. Indien zij verminkt waren of onrein, geeft hij de wet van de lossing. Maar de vraag kan oprijzen, hoe men mag beloven, wat God verboden heeft Hem te offeren, en van de toegang tot de tempel als onrein heeft afgesloten. En zeker, indien het iemand in de gedachte was gekomen, een onrein dier te offeren, zou het een godsverering zijn geweest, die verwerpelijk was, ja, waarvoor verzoening nodig was. Doch hier wordt (naar mijn oordeel) een ander soort van offerande aangevoerd, die de offeranden en de tempeldienst niet tegen de voorschriften van de wet in bedierf. Er stak niets ongerijmds in, dat, indien God zo'n gelofte ontving, Hij die wuftheid kastijdde met een geldboete. B.v., dat de gebieder een krachtig en beproefd paard, indien het in gevaar was, had beloofd, maar hij, nadat het weer gered was, veroordeeld werd, om de waarde ervan te betalen. Zo ook ten opzichte van de overige dingen. De gelofte bestond dan in niets anders, dan dat men aan de hoede en bescherming van God overgaf, wat men wenste te behouden. Hierdoor kwam er een grote overvloed van geloften, welke echter op de een of andere wijze moesten gehouden worden, opdat de heilige Naam van God niet tot een aanfluiting zou worden. De schatting hiervan laat God over aan het oordeel van de priester. Indien echter het dier geofferd kon worden, was geen lossing mogelijk. Indien iemand een ander dier in de plaats stelde, of de waarde betaalde, ontving hij straf voor zijn bedrog, omdat beide God waren geheiligd. Doch de schatting wordt vastgesteld, welke de "belover" opgelegd wordt, omdat God beveelt, dat de Israëliet zou staan voor de rechtbank van de priesters, en bij wijze van boete moesten zij erbij voegen, een vijfde gedeelte boven de waarde, door de priesters bepaald..

Vers 11

11. En indien het beloofde enig onrein beest is, 1) van hetgeen men de HEERE geen offerande offert, b.v. een ezel, zo zal hij dat beest, daar het ten voordele van het heiligdom moet verkocht worden, tot schatting van zijn waarde voor het aangezicht van de priester zetten.

1) Mozes handelt nu over de stomme dieren, welke hij beveelt, de Heere te offeren, indien zij voor offeranden geschikt waren. Indien zij verminkt waren of onrein, geeft hij de wet van de lossing. Maar de vraag kan oprijzen, hoe men mag beloven, wat God verboden heeft Hem te offeren, en van de toegang tot de tempel als onrein heeft afgesloten. En zeker, indien het iemand in de gedachte was gekomen, een onrein dier te offeren, zou het een godsverering zijn geweest, die verwerpelijk was, ja, waarvoor verzoening nodig was. Doch hier wordt (naar mijn oordeel) een ander soort van offerande aangevoerd, die de offeranden en de tempeldienst niet tegen de voorschriften van de wet in bedierf. Er stak niets ongerijmds in, dat, indien God zo'n gelofte ontving, Hij die wuftheid kastijdde met een geldboete. B.v., dat de gebieder een krachtig en beproefd paard, indien het in gevaar was, had beloofd, maar hij, nadat het weer gered was, veroordeeld werd, om de waarde ervan te betalen. Zo ook ten opzichte van de overige dingen. De gelofte bestond dan in niets anders, dan dat men aan de hoede en bescherming van God overgaf, wat men wenste te behouden. Hierdoor kwam er een grote overvloed van geloften, welke echter op de een of andere wijze moesten gehouden worden, opdat de heilige Naam van God niet tot een aanfluiting zou worden. De schatting hiervan laat God over aan het oordeel van de priester. Indien echter het dier geofferd kon worden, was geen lossing mogelijk. Indien iemand een ander dier in de plaats stelde, of de waarde betaalde, ontving hij straf voor zijn bedrog, omdat beide God waren geheiligd. Doch de schatting wordt vastgesteld, welke de "belover" opgelegd wordt, omdat God beveelt, dat de Israëliet zou staan voor de rechtbank van de priesters, en bij wijze van boete moesten zij erbij voegen, een vijfde gedeelte boven de waarde, door de priesters bepaald..

Vers 12

12. En de priester zal dat op een gemiddelde prijs schatten, naar dat het goed of kwaad is, dus het goede niet te hoog en het kwade niet te laag, naar uw schatting, priester! zo zal het zijn, naar de door u aangegeven waardezal het verkocht worden en de opbrengst voor het heiligdom zijn.

Vers 12

12. En de priester zal dat op een gemiddelde prijs schatten, naar dat het goed of kwaad is, dus het goede niet te hoog en het kwade niet te laag, naar uw schatting, priester! zo zal het zijn, naar de door u aangegeven waardezal het verkocht worden en de opbrengst voor het heiligdom zijn.

Vers 13

13. Maar indien hij, de belovende, het immers, integendeel, lossen, de vastgestelde prijs betalen zal, om het beest te kunnen behouden, zo zal hij, als rouwgeld daarvoor, dat hij een de Heere beloofde zaak zich niet kan ontzeggen, een vijfde deel hiervan boven uw schatting toedoen (Leviticus 5:16).

Vers 13

13. Maar indien hij, de belovende, het immers, integendeel, lossen, de vastgestelde prijs betalen zal, om het beest te kunnen behouden, zo zal hij, als rouwgeld daarvoor, dat hij een de Heere beloofde zaak zich niet kan ontzeggen, een vijfde deel hiervan boven uw schatting toedoen (Leviticus 5:16).

Vers 14

14. En wanneer iemand zijn huis zal geheiligd hebben, dat het de HEERE heilig zij, zo zal de priester dat schatten, ten behoeve van de latere verkoop (Leviticus 27:11), en wel op middelbare waarde, naar dat het goed of kwaad is, (Leviticus 27:12); zoals de priester dat geschat zalhebben, zo zal het stand hebben.

Vers 14

14. En wanneer iemand zijn huis zal geheiligd hebben, dat het de HEERE heilig zij, zo zal de priester dat schatten, ten behoeve van de latere verkoop (Leviticus 27:11), en wel op middelbare waarde, naar dat het goed of kwaad is, (Leviticus 27:12); zoals de priester dat geschat zalhebben, zo zal het stand hebben.

Vers 15

15. En indien hij, die het geheiligd heeft, zijn huis zal lossen, om het te kunnen behouden, zo zal hij een vijfde deel van het geld van uw schatting daarboven toedoen, als boete (Leviticus 27:13); zo zal het zijn zijn. 1)

1) Ten opzichte van de huizen gold dezelfde wet als voor het onrein vee. Een huis, de Heere gewijd, werd ten behoeve en ten voordele van het huis van de Heeren verkocht. Wilde echter de "belover" het terug hebben, dan werd het getaxeerd en voor de getaxeerde waarde, vermeerderd met een vijfde van die som, kon men het terugkrijgen..

Vers 15

15. En indien hij, die het geheiligd heeft, zijn huis zal lossen, om het te kunnen behouden, zo zal hij een vijfde deel van het geld van uw schatting daarboven toedoen, als boete (Leviticus 27:13); zo zal het zijn zijn. 1)

1) Ten opzichte van de huizen gold dezelfde wet als voor het onrein vee. Een huis, de Heere gewijd, werd ten behoeve en ten voordele van het huis van de Heeren verkocht. Wilde echter de "belover" het terug hebben, dan werd het getaxeerd en voor de getaxeerde waarde, vermeerderd met een vijfde van die som, kon men het terugkrijgen..

Vers 16

16. Indien ook iemand van de akker en wel van de akker van zijn bezitting, zijn erfgoed, de HEERE wat geheiligd zal hebben, zo zal uw schatting van de akker zijn naar zijn zaad, naar de hoeveelheid zaad, die bij het bezaaien gebruikt wordt. Een stuk land bezaaid met een homer gerstenzaad zal zijn gewaardeerd op vijftig sikkels zilver.

Vers 16

16. Indien ook iemand van de akker en wel van de akker van zijn bezitting, zijn erfgoed, de HEERE wat geheiligd zal hebben, zo zal uw schatting van de akker zijn naar zijn zaad, naar de hoeveelheid zaad, die bij het bezaaien gebruikt wordt. Een stuk land bezaaid met een homer gerstenzaad zal zijn gewaardeerd op vijftig sikkels zilver.

Vers 17

17. Indien hij daarna zijn akker dadelijk van het Jubeljaar 1) af geheiligd zal hebben, zo zal het naar uw schatting stand hebben.

1) Leviticus 27:17 verklaart Leviticus 27:16. De vijftig sikkels zilver is niet de schatting over n jaar, maar over 50 jaar, die verliepen tussen het ene en het andere Jubeljaar. De vijftig sikkels zilver was de som voor een gemiddelde opbrengst, gedurende 50 jaar. Jaarlijks moest die som afgelost worden.

Vers 17

17. Indien hij daarna zijn akker dadelijk van het Jubeljaar 1) af geheiligd zal hebben, zo zal het naar uw schatting stand hebben.

1) Leviticus 27:17 verklaart Leviticus 27:16. De vijftig sikkels zilver is niet de schatting over n jaar, maar over 50 jaar, die verliepen tussen het ene en het andere Jubeljaar. De vijftig sikkels zilver was de som voor een gemiddelde opbrengst, gedurende 50 jaar. Jaarlijks moest die som afgelost worden.

Vers 18

18. Maar zo hij zijn akker enige tijd na het Jubeljaar geheiligd zal hebben, dan zal hem de priester het geld rekenen naar de jaren, die nog over zijn tot het Jubeljaar; en het zal van uw schatting afgetrokken worden, al naar dater veel of weinig jaren over zijn, de akker hoger of minder schatten, zodat hij, die de gelofte doet, wanneer b.v. nog slechts 10 jaar moesten verlopen, slechts het 10de deel van de gehele som in jaarlijkse termijnen moest betalen.

Vers 18

18. Maar zo hij zijn akker enige tijd na het Jubeljaar geheiligd zal hebben, dan zal hem de priester het geld rekenen naar de jaren, die nog over zijn tot het Jubeljaar; en het zal van uw schatting afgetrokken worden, al naar dater veel of weinig jaren over zijn, de akker hoger of minder schatten, zodat hij, die de gelofte doet, wanneer b.v. nog slechts 10 jaar moesten verlopen, slechts het 10de deel van de gehele som in jaarlijkse termijnen moest betalen.

Vers 19

19. En indien hij, die de akker geheiligd heeft, deze geheel lossen zal, om vrij hierover te kunnen beschikken en in voorkomende gevallen die te kunnen verkopen, zo zal hij een vijfde deel van het geld van uw schatting daarboven toedoen, en dezee zal hem gevestigd tot zijn beschikking zijn.

Vers 19

19. En indien hij, die de akker geheiligd heeft, deze geheel lossen zal, om vrij hierover te kunnen beschikken en in voorkomende gevallen die te kunnen verkopen, zo zal hij een vijfde deel van het geld van uw schatting daarboven toedoen, en dezee zal hem gevestigd tot zijn beschikking zijn.

Vers 20

20. En indien hij die akker niet zal lossen of indien hij die akker gedurende die tijd tot het volgende Jubeljaar aan een andere man verkocht heeft, zo zal hij tot straf daarvoor, dat hij zich aan het eigendom van de Heere, waarop hij door zijn gelofte geen recht meer had, heeft vergrepen, in het geheel niet meer gelost worden 1) en in het Jubeljaar, waarin de nieuwe koper hem weer overgeven moet (Leviticus 25:28), niet meer terug ontvangen.

1) Hieruit blijkt, dat de akker niet alleen aan het Heiligdom verviel, wanneer de "belover" deze aan een ander had verkocht, maar ook, wanneer hij deze niet v r het Jubeljaar had gelost..

Vers 20

20. En indien hij die akker niet zal lossen of indien hij die akker gedurende die tijd tot het volgende Jubeljaar aan een andere man verkocht heeft, zo zal hij tot straf daarvoor, dat hij zich aan het eigendom van de Heere, waarop hij door zijn gelofte geen recht meer had, heeft vergrepen, in het geheel niet meer gelost worden 1) en in het Jubeljaar, waarin de nieuwe koper hem weer overgeven moet (Leviticus 25:28), niet meer terug ontvangen.

1) Hieruit blijkt, dat de akker niet alleen aan het Heiligdom verviel, wanneer de "belover" deze aan een ander had verkocht, maar ook, wanneer hij deze niet v r het Jubeljaar had gelost..

Vers 21

21. Maar die akker, nadat hij in het Jubeljaar zal uitgegaan zijn, zal de HEERE heilig zijn, als een verbannen akker; 1) (Leviticus 27:28) de bezitting daarvan zal van de priesters zijn, de priesters voor altijdtoevallen.

1) Dat is, als een akker, waarop de gewezen bezitter geen recht van lossing meer had, als hebbende hij dit door zijn weigering zelf verbeurd..

In het Hebreeuws Kisdee hacherm. De Zeventigen vertalen daarom: als een verpande akker. De Statenvertalers vertalen: verbannen akker. Het Hebreeuwse woord geeft aan, een akker, die aan God gewijd is, maar niet meer kan terug gekocht worden. Het werkwoord, waarvan het afgeleid is, betekent, iets van het algemeen gebruik afzonderen, of afhouden..

Vers 21

21. Maar die akker, nadat hij in het Jubeljaar zal uitgegaan zijn, zal de HEERE heilig zijn, als een verbannen akker; 1) (Leviticus 27:28) de bezitting daarvan zal van de priesters zijn, de priesters voor altijdtoevallen.

1) Dat is, als een akker, waarop de gewezen bezitter geen recht van lossing meer had, als hebbende hij dit door zijn weigering zelf verbeurd..

In het Hebreeuws Kisdee hacherm. De Zeventigen vertalen daarom: als een verpande akker. De Statenvertalers vertalen: verbannen akker. Het Hebreeuwse woord geeft aan, een akker, die aan God gewijd is, maar niet meer kan terug gekocht worden. Het werkwoord, waarvan het afgeleid is, betekent, iets van het algemeen gebruik afzonderen, of afhouden..

Vers 22

22. En indien hij de HEERE een akker heeft geheiligd, die hij gekocht, van een andere Israëliet naar het bevel (Leviticus 25:15) tot op het eerstvolgende Jubeljaar in pacht genomen heeft, en deze niet is van deakker van zijn bezitting, erfgoed (Leviticus 27:16), die hij dus in het Jubeljaar zonder losgeld aan zijn oorspronkelijke bezitter terug moet geven.

Vers 22

22. En indien hij de HEERE een akker heeft geheiligd, die hij gekocht, van een andere Israëliet naar het bevel (Leviticus 25:15) tot op het eerstvolgende Jubeljaar in pacht genomen heeft, en deze niet is van deakker van zijn bezitting, erfgoed (Leviticus 27:16), die hij dus in het Jubeljaar zonder losgeld aan zijn oorspronkelijke bezitter terug moet geven.

Vers 23

23. Zo zal de priester hem rekenen de som van uw schatting, naar zijn waarde, overeenkomstig zijn opbrengst (Leviticus 27:16) tot het Jubeljaar, terwijl hij daarbij slechts de tot het Jubeljaar nog overblijvende jaren in rekening brengt; en hij, die de gelofte gedaan heeft, zal op deze dag uw schatting geven, de verschuldigde som op dezelfde dag, dat hij zijn gelofte betaalt, in het heiligdom brengen, dat deze akker een heiligheid voor de HEERE zij, voor de gehele, nog tot het Jubeljaar overblijvende tijd.

Vers 23

23. Zo zal de priester hem rekenen de som van uw schatting, naar zijn waarde, overeenkomstig zijn opbrengst (Leviticus 27:16) tot het Jubeljaar, terwijl hij daarbij slechts de tot het Jubeljaar nog overblijvende jaren in rekening brengt; en hij, die de gelofte gedaan heeft, zal op deze dag uw schatting geven, de verschuldigde som op dezelfde dag, dat hij zijn gelofte betaalt, in het heiligdom brengen, dat deze akker een heiligheid voor de HEERE zij, voor de gehele, nog tot het Jubeljaar overblijvende tijd.

Vers 24

24. In het Jubeljaar zal die akker, naar hetgeen gezegd is, (Leviticus 25:23-Leviticus 25:28) ) terugkomen tot die, van wie hij hem gekocht had tot hem, wiens de bezitting van dat land was.

Vers 24

24. In het Jubeljaar zal die akker, naar hetgeen gezegd is, (Leviticus 25:23-Leviticus 25:28) ) terugkomen tot die, van wie hij hem gekocht had tot hem, wiens de bezitting van dat land was.

Vers 25

25. Al uw schatting nu, waardering door de priester in de (Leviticus 27:3-Leviticus 27:23) opgenoemde gevallen, zal naar de sikkel van het heiligdom geschieden, naar de oorspronkelijke sikkel van volkome gewicht, niet naar de sikkel van geringe waarde, die in het gewone leven gangbaar is (Exodus 30:13), a) de sikkel zal zijn van twintig gera.

a) Numbers 3:47 Ezekiel 45:12

Uit 1 Kings 10:17, 1 Kings 10:2 Kronieken9:16, volgens welke 3 mina (pond) = 300 sikkels zijn, de mina dus 100 sikkels bevat, terwijl zij naar onze opgave bij Exodus 30:13 slechts 50 heilige sikkels bevatte, volgt dat de gewone sikkel maar de helft was van de heilige sikkel (= 1 Beka), wat dan ook door de Rabbijnen wordt aangenomen. Daar er, zoals blijkt uit Genesis 24:22 en Exodus 38:26 ook halve sikkels of beka-stukken waren van 10 gera, welke in het dagelijks leven gebruikt werden, kon men des te gemakkelijker ook aan deze de naam "sikkel" geven, omdat de naam op zichzelf geen bepaald gewicht uitdrukt, maar slechts in het algemeen iets dat afgewogen is..

Vers 25

25. Al uw schatting nu, waardering door de priester in de (Leviticus 27:3-Leviticus 27:23) opgenoemde gevallen, zal naar de sikkel van het heiligdom geschieden, naar de oorspronkelijke sikkel van volkome gewicht, niet naar de sikkel van geringe waarde, die in het gewone leven gangbaar is (Exodus 30:13), a) de sikkel zal zijn van twintig gera.

a) Numbers 3:47 Ezekiel 45:12

Uit 1 Kings 10:17, 1 Kings 10:2 Kronieken9:16, volgens welke 3 mina (pond) = 300 sikkels zijn, de mina dus 100 sikkels bevat, terwijl zij naar onze opgave bij Exodus 30:13 slechts 50 heilige sikkels bevatte, volgt dat de gewone sikkel maar de helft was van de heilige sikkel (= 1 Beka), wat dan ook door de Rabbijnen wordt aangenomen. Daar er, zoals blijkt uit Genesis 24:22 en Exodus 38:26 ook halve sikkels of beka-stukken waren van 10 gera, welke in het dagelijks leven gebruikt werden, kon men des te gemakkelijker ook aan deze de naam "sikkel" geven, omdat de naam op zichzelf geen bepaald gewicht uitdrukt, maar slechts in het algemeen iets dat afgewogen is..

Vers 26

26. a) Maar het eerstgeborene, dat de HEERE reeds volgens de wet (Exodus 13:2), van een beest eerst geboren wordt, dat zal niemand heiligen, door een bijzondere gelofte beloven te zullen geven; hetzij een os, of klein vee, een eerstgeborene van rund of klein vee, het is van de HEERE en zal Hem dus bovendien als offer gebracht worden.

a)Exodus 22:29; Exodus 34:19 Numbers 3:13; Numbers 8:17

Vers 26

26. a) Maar het eerstgeborene, dat de HEERE reeds volgens de wet (Exodus 13:2), van een beest eerst geboren wordt, dat zal niemand heiligen, door een bijzondere gelofte beloven te zullen geven; hetzij een os, of klein vee, een eerstgeborene van rund of klein vee, het is van de HEERE en zal Hem dus bovendien als offer gebracht worden.

a)Exodus 22:29; Exodus 34:19 Numbers 3:13; Numbers 8:17

Vers 27

27. Doch is het van een onrein beest, behoort dit eerstgeborene tot de onreine niet voor offer bestemde beesten, hij zal dat lossen naar uw schatting, waarvoor het door de priester geschat wordt, en zal zijn vijfde deel daarboven toedoen; en indien het niet gelost wordt door hem, aan wie het geboren en die tot het geven hiervan aan het heiligdom verplicht is, zo zal het verkocht worden naar uw schatting.

De Heere wijzigt dus de eerder (Exodus 13:13; Exodus 34:20) door Hem gegeven verordening dat onreine, niet voor een offer vatbare dieren door een schaap gelost, of gedood moeten worden, ten voordele van het nu opgerichte heiligdom en van de onderhouding van de priesterstand. (Numbers 18:15).

Vers 27

27. Doch is het van een onrein beest, behoort dit eerstgeborene tot de onreine niet voor offer bestemde beesten, hij zal dat lossen naar uw schatting, waarvoor het door de priester geschat wordt, en zal zijn vijfde deel daarboven toedoen; en indien het niet gelost wordt door hem, aan wie het geboren en die tot het geven hiervan aan het heiligdom verplicht is, zo zal het verkocht worden naar uw schatting.

De Heere wijzigt dus de eerder (Exodus 13:13; Exodus 34:20) door Hem gegeven verordening dat onreine, niet voor een offer vatbare dieren door een schaap gelost, of gedood moeten worden, ten voordele van het nu opgerichte heiligdom en van de onderhouding van de priesterstand. (Numbers 18:15).

Vers 28

28. a) Evenwel niets dat verbannen is, dat iemand de HEERE zal verbannen 1) hebben, van al hetgeen Hij heeft, van een mens of van een beest, of van de akker van zijn bezitting, zal verkocht noch gelost worden; al wat verbannen is, zal de HEERE een Heiligheid der Heiligheden zijn, Hem geheel en onveranderlijk gewijd zijn; het mag daarom niet door verkoop en lossing in de handen van mensen overgaan.

a) Joshua 6:18; Joshua 7:13,

1) Verbannen heeft een veel sterkere betekenis dan beloven. Het verbannene was onherroepelijk de Heere over gegeven. De ban werd later uitgesproken over personen en goederen, als een theocratisch strafgericht, wegens afgoderij en beeldendienst..

Vers 28

28. a) Evenwel niets dat verbannen is, dat iemand de HEERE zal verbannen 1) hebben, van al hetgeen Hij heeft, van een mens of van een beest, of van de akker van zijn bezitting, zal verkocht noch gelost worden; al wat verbannen is, zal de HEERE een Heiligheid der Heiligheden zijn, Hem geheel en onveranderlijk gewijd zijn; het mag daarom niet door verkoop en lossing in de handen van mensen overgaan.

a) Joshua 6:18; Joshua 7:13,

1) Verbannen heeft een veel sterkere betekenis dan beloven. Het verbannene was onherroepelijk de Heere over gegeven. De ban werd later uitgesproken over personen en goederen, als een theocratisch strafgericht, wegens afgoderij en beeldendienst..

Vers 29

29. Al wat verbannen is, dat van de mensen, van de gehele gemeente wegens zijn afgoderij (Exodus 22:20), zal verbannen zijn, zal niet gelost worden, maar het zal, nadat de ban in behoorlijke vorm, naar Deuteronomy 17:2, over hem uitgesproken is, zeker gedood worden.

Als een bijzondere gelofte van toewijding, ontdekken wij hier de bangelofte, d.i. die gelofte, waardoor van hetgeen men de Heere wilde toewijden, geheel en voor altijd afstand werd gedaan en men het Hem onherroepelijk tot een eigendom overgaf. "Verbannen" betekent dus "heiligen" in verhoogde graad; het is de gehele overgave aan God met uitsluiting van alle mogelijkheid om het ooit weer terug te ontvangen, wat bij het in gewone zin geheiligde nog altijd mogelijk was. Op grond hiervan wordt ook bij de vermelding van hetgeen iemand van het zijne verbannen kan, zowel het huis als het gekochte veld ongenoemd laten; het eerste kon de eigenaar niet voor altijd weggeven, zonder zichzelf van een beschermend dak te beroven; (het tweede) was niet werkelijk het eigendom van de koper, maar alleen, naar het in Israël heersende recht, een soort van pakgoed, dat in het jaar van de vrijlating weer tot de oorspronkelijke bezitter terugkeerde. Mensen, die men de Heere verbande, werden werkelijk lijfeigenen van het heiligdom, en moesten van het burgerlijk leven voor altijd afstand doen, zoals wij dit zien in Samuël (1 Samuel 1:11,1 Samuel 1:24), evenals in de dochter van Jefta (Judges 11:30,Judges 11:34). Deze soort van toewijding, die in betrekking staat tot de eenvoudige gelofte, zoals het brand- tot het dankoffer, gebeurde overal daar, waar de aandrang van het gemoed, welke in het algemeen de grond is van alle geloften, het krachtigst was en slechts in de volkomen verzaking van het beloofde voorwerp haar bevrediging vond. Daarvan is echter een andere, de vernietigingsban, wel te onderscheiden, waarbij iemand de Heere overgegeven werd, niet tot eeuwig eigendom, maar tot vernietiging; hier is drijfveer van het godvrezende hart, niet liefde en dankbaarheid jegens Hem, die gezegend heeft en nog daarmee voortgaat, maar heilige ijver voor Zijn ere en toorn tegen hem, die deze ere geschonden heeft. Zo'n ban zou komen niet alleen over de afzonderlijke afgodendienaar (Exodus 22:20 Deuteronomy 17:2, ), maar ook over een gehele afgodische plaats (Deuteronomy 13:12), ja! over het gehele afgodische volk van de Kananieten, wier maat van gruwelen nu vol was geworden (Deuteronomy 20:16). Waar deze ban zo streng mogelijk werd voltrokken, werd daarin ook al wat de verbannene bezat, begrepen en met hem vernietigd, of tot een schat aan het huis van de Heere gegeven Joshua 6:21; Joshua 6:1 Samuël. 15:2); in andere gevallen bleef de levende en dode have van een verbannene in de ban verschoond en werd dan het eigendom van hen, die de ban voltrokken (Deuteronomium. 2:34, Joshua 8:26, ). Zo'n ban van vernietiging over een mens of vergadering te brengen en te voltrekken, was natuurlijk geen personele zaak, maar alleen de zaak van de gehele gemeente; het was een in Zijn naam volvoerd Gods oordeel, waardoor de Heere geheiligd werd aan hen, die Hem niet hadden willen heiligen in hun hart. Tot een dergelijke voltrekking van het oordeel kon echter slechts een hetzij kleinere, hetzij grote volksverzameling de bevoegdheid hebben, wanneer zij niet zelf aan deze zware zonde schuldig stond..

Vers 29

29. Al wat verbannen is, dat van de mensen, van de gehele gemeente wegens zijn afgoderij (Exodus 22:20), zal verbannen zijn, zal niet gelost worden, maar het zal, nadat de ban in behoorlijke vorm, naar Deuteronomy 17:2, over hem uitgesproken is, zeker gedood worden.

Als een bijzondere gelofte van toewijding, ontdekken wij hier de bangelofte, d.i. die gelofte, waardoor van hetgeen men de Heere wilde toewijden, geheel en voor altijd afstand werd gedaan en men het Hem onherroepelijk tot een eigendom overgaf. "Verbannen" betekent dus "heiligen" in verhoogde graad; het is de gehele overgave aan God met uitsluiting van alle mogelijkheid om het ooit weer terug te ontvangen, wat bij het in gewone zin geheiligde nog altijd mogelijk was. Op grond hiervan wordt ook bij de vermelding van hetgeen iemand van het zijne verbannen kan, zowel het huis als het gekochte veld ongenoemd laten; het eerste kon de eigenaar niet voor altijd weggeven, zonder zichzelf van een beschermend dak te beroven; (het tweede) was niet werkelijk het eigendom van de koper, maar alleen, naar het in Israël heersende recht, een soort van pakgoed, dat in het jaar van de vrijlating weer tot de oorspronkelijke bezitter terugkeerde. Mensen, die men de Heere verbande, werden werkelijk lijfeigenen van het heiligdom, en moesten van het burgerlijk leven voor altijd afstand doen, zoals wij dit zien in Samuël (1 Samuel 1:11,1 Samuel 1:24), evenals in de dochter van Jefta (Judges 11:30,Judges 11:34). Deze soort van toewijding, die in betrekking staat tot de eenvoudige gelofte, zoals het brand- tot het dankoffer, gebeurde overal daar, waar de aandrang van het gemoed, welke in het algemeen de grond is van alle geloften, het krachtigst was en slechts in de volkomen verzaking van het beloofde voorwerp haar bevrediging vond. Daarvan is echter een andere, de vernietigingsban, wel te onderscheiden, waarbij iemand de Heere overgegeven werd, niet tot eeuwig eigendom, maar tot vernietiging; hier is drijfveer van het godvrezende hart, niet liefde en dankbaarheid jegens Hem, die gezegend heeft en nog daarmee voortgaat, maar heilige ijver voor Zijn ere en toorn tegen hem, die deze ere geschonden heeft. Zo'n ban zou komen niet alleen over de afzonderlijke afgodendienaar (Exodus 22:20 Deuteronomy 17:2, ), maar ook over een gehele afgodische plaats (Deuteronomy 13:12), ja! over het gehele afgodische volk van de Kananieten, wier maat van gruwelen nu vol was geworden (Deuteronomy 20:16). Waar deze ban zo streng mogelijk werd voltrokken, werd daarin ook al wat de verbannene bezat, begrepen en met hem vernietigd, of tot een schat aan het huis van de Heere gegeven Joshua 6:21; Joshua 6:1 Samuël. 15:2); in andere gevallen bleef de levende en dode have van een verbannene in de ban verschoond en werd dan het eigendom van hen, die de ban voltrokken (Deuteronomium. 2:34, Joshua 8:26, ). Zo'n ban van vernietiging over een mens of vergadering te brengen en te voltrekken, was natuurlijk geen personele zaak, maar alleen de zaak van de gehele gemeente; het was een in Zijn naam volvoerd Gods oordeel, waardoor de Heere geheiligd werd aan hen, die Hem niet hadden willen heiligen in hun hart. Tot een dergelijke voltrekking van het oordeel kon echter slechts een hetzij kleinere, hetzij grote volksverzameling de bevoegdheid hebben, wanneer zij niet zelf aan deze zware zonde schuldig stond..

Vers 30

30. Ook alle tienden, 1) tiende gedeelte van de jaarlijkse oogst, van het land, waarin gij nu komt, van het zaad van het land, van hetgeen op het veld groeit, van de vrucht van het geboomte, wijnstok zowel als olijfboom (Deuteronomy 14:23) zijn, volgens de gewoonte, die reeds bij de vaderen bestond (Genesis 14:22; Genesis 28:22), welke Ik nu tot wet maak, totdat Ik u dan later (Numbers 18:20) zeggen zal wat met deze tienden geschieden moet, van de HEERE, zij zijn de HEERE heilig, zij moeten aangemerkt worden als een Hem reeds gewijd eigendom, waarom zij evenmin als de eerstgeborenen van het vee (Leviticus 27:26), totvoorwerpen van een bijzondere gelofte mogen gemaakt worden.

1) Met deze woorden toont God, dat Hij, door de tienden aan de Levieten te schenken, afstand doet van Zijn eigendomsrecht, omdat deze voor Hem zijn als een soort van koninklijke belasting. Maar zo neemt Hij ook alle bezwaar weg, omdat toch de andere stammen erover zouden kunnen mopperen, dat zij bovenmate bezwaard werden.. 31. Maar als iemand van zijn tienden immers iets lossen zal, wat hem altijd zal geoorloofd zijn, hij zal zijn vijfde deel, boven de eigenlijke waarde daarboven toedoen, zoals bij de andere lossingen (Leviticus 27:13,Leviticus 27:15,Leviticus 27:19,Leviticus 27:27).

Vers 30

30. Ook alle tienden, 1) tiende gedeelte van de jaarlijkse oogst, van het land, waarin gij nu komt, van het zaad van het land, van hetgeen op het veld groeit, van de vrucht van het geboomte, wijnstok zowel als olijfboom (Deuteronomy 14:23) zijn, volgens de gewoonte, die reeds bij de vaderen bestond (Genesis 14:22; Genesis 28:22), welke Ik nu tot wet maak, totdat Ik u dan later (Numbers 18:20) zeggen zal wat met deze tienden geschieden moet, van de HEERE, zij zijn de HEERE heilig, zij moeten aangemerkt worden als een Hem reeds gewijd eigendom, waarom zij evenmin als de eerstgeborenen van het vee (Leviticus 27:26), totvoorwerpen van een bijzondere gelofte mogen gemaakt worden.

1) Met deze woorden toont God, dat Hij, door de tienden aan de Levieten te schenken, afstand doet van Zijn eigendomsrecht, omdat deze voor Hem zijn als een soort van koninklijke belasting. Maar zo neemt Hij ook alle bezwaar weg, omdat toch de andere stammen erover zouden kunnen mopperen, dat zij bovenmate bezwaard werden.. 31. Maar als iemand van zijn tienden immers iets lossen zal, wat hem altijd zal geoorloofd zijn, hij zal zijn vijfde deel, boven de eigenlijke waarde daarboven toedoen, zoals bij de andere lossingen (Leviticus 27:13,Leviticus 27:15,Leviticus 27:19,Leviticus 27:27).

Vers 32

32. Aangaande al de tienden van runderen en klein vee, alles wat onder de roede 1) zal doorgaan, over het algemeen van het vee kan vertiend worden, het tiende zal, evenals het tiende deel van de opbrengst van het land (Leviticus 27:30), de HEERE heilig zijn, en zal niet eerst beloofd, maar ook zonder bijzondere belofte gegeven worden.

1) Volgens de Rabbijnen werd, bij het afzonderen van de tienden van het vee, het bedoelde vee in een stal gedreven en dan stuk voor stuk weer uitgelaten, met een staf geteld en ieder tiende stuk met rood krijt gemerkt. Naar deze gewoonte worden in de bovenstaande uitdrukking alle tienden van het vee in het algemeen samengevat..

Vers 32

32. Aangaande al de tienden van runderen en klein vee, alles wat onder de roede 1) zal doorgaan, over het algemeen van het vee kan vertiend worden, het tiende zal, evenals het tiende deel van de opbrengst van het land (Leviticus 27:30), de HEERE heilig zijn, en zal niet eerst beloofd, maar ook zonder bijzondere belofte gegeven worden.

1) Volgens de Rabbijnen werd, bij het afzonderen van de tienden van het vee, het bedoelde vee in een stal gedreven en dan stuk voor stuk weer uitgelaten, met een staf geteld en ieder tiende stuk met rood krijt gemerkt. Naar deze gewoonte worden in de bovenstaande uitdrukking alle tienden van het vee in het algemeen samengevat..

Vers 33

33. Hij zal, bij uitzondering daarvan tussen het goede en het kwade niet onderzoeken, niet vragen of het tiende stuk goed of kwaad is; hij zal het ook niet verwisselen, noch met een goede, noch met een zelfzuchtige bedoeling (Leviticus 27:10); maar indien hij het immers verwisselen zal en een ander voor dat tiende stuk geven, het zij dan beter of slechter, zo zal dit en wat daarvoor verwisseld is, zowel het rechte als het ondergeschovene, heilig, aan het heiligdom vervallen zijn; het zal niet gelost worden, want gij zult u geen ingrijpen in het eigendom van de Heere veroorloven.

In het Christelijk leven is er voor het "bijzonder" beloven geen plaats meer (1 Timothy 4:3); het behoort tot de uiterlijkheden van de toestand van onvolkomenheid (Galaten. 4:3). De Christen geeft zich voortdurend met lichaam, ziel en geest en al wat hij heeft, God ten offer, dat offer is levend, heilig en God welgevallig, dat is zijn redelijke godsdienst (Romans 12:1). Zo zijn dan ook de pauselijke beloften tegen de geest van het Evangelie. Daarentegen vernieuwt een Christen dagelijks zijn doopgelofte: te verloochenen de duivel de wereld, de zondige lusten van het vlees, en ook God en zijn Heere Jezus Christus te dienen; zijn leven lang en eigent zich in deze zaak toe wat in Psalms 50:14; Psalms 81:6; Psalms 66:13; Psalms 116:14,Psalms 116:18, over geloften gezegd wordt.

Slechts als het leven nog onder de wet is, staat ook de gelofte als een neiging om zijn eigen besluit, zijn eigen wil tot een bindende wet te maken, in overeenstemming met de algemene levensregel. Vandaar de geloften in het Oude Verbond en de nagalm van deze dingen in het leven van Paulus (Acts 18:18; Acts 21:24); ofschoon de daar vemelde toedracht van zaken de stempel draagt van een vervulling van de wet als godsdienstig gebruik, of als het letten van de liefde op de zwakheid van de naaste. Waar zulke aanleidingen wegvallen, zal de gelofte nergens als een vrucht van het ware evangelische leven kunnen worden aangetroffen. Zich in de werkzaamheid van de ware liefde door geloften te laten binden, kan alleen als vrees voor de zwakheid en weerspannigheid van het eigen hart verklaard en verontschuldigd worden en is, namelijk in zover het uit dit beginsel geschiedt, toe te laten, maar in ieder ander opzicht verwerpelijk; het moet voorgesteld worden als het afdalen tot een diepte, waaruit de in Christus tot vrijheid geborene voor altijd moest zijn verrezen. 34. Dit zijn de geboden, die de HEERE Mozes geboden 1) heeft, aan de kinderen van Israël, op en bij de berg Sinaï. 2)

1) Hierdoor verbindt Mozes aan de kennis van de wet de geloofwaardigheid ervan. Allereerst vanwege de autoriteit, omdat deze van God is gegeven. Vervolgens, omdat hij zichzelf niet de rol van wetgever heeft toebedeeld, maar omdat hij door God is gekozen, en geroepen, om dit ambt te vervullen. Doch van de kinderen van Israël verlangt Hij vertrouwen en achting, omdat hij tot hen is gezonden, als onderwijzer en leermeester..

2) De nu nog volgende wetten zijn door de Heere aan Mozes opgedragen, toen de toebereidselen, om uit de nabijheid van de Sinaï op te breken, reeds een aanvang hadden genomen en bestaan deels in tijdelijke voorschriften, deels in aanwijzingen voor bepaalde gevallen, deels in verdere ontwikkelingen van de reeds vroeger afgekondigde fundamentele wetten..

SLOTWOORD

In verband tot de beschrijving van de Tabernakel (Exodus 26:1) staat die van de verschillende offers in dit derde boek van Mozes. Het offer vinden wij reeds bij de eerste mensen (Genesis 4:4); later bij Noach (Genesis 8:20). Abraham is bereid, om zijn zoon God ten offer te brengen. Zo waren de offers reeds lang v r Mozes in gebruik, en dit zelfs onder de heidense volken. Reeds van het vroegste, in de Heilige Schrift voorkomende offers kan worden gezegd, dat zij door middel van een bijzondere Godsopenbaring de mens waren opgelegd. Hetzelfde kunnen wij nu ook zeggen van de verdere ontwikkeling van de offerdienst; ook deze behoort tot hetgeen Mozes op de berg is meegedeeld. De algemene betekenis van alle offers is de overgave van zichzelf en zijn innerlijke wezen en leven aan God; dit nu wordt uiterlijk voorgesteld en afgebeeld door het brengen van het beste, dat men bezit, aan Hem. Het was dus reeds naar het uitwendige een oefening in zelfverloochening en gehoorzaamheid aan het Goddelijk voorschrift; het was verbreking van eigen wil, buiging van die wil onder de wil van God, gelijk de zedewet de gehoorzaamheid van de harten, wat gezindheid, liefde en vertrouwen aangaat, moet regelen; tevens waren de offers tekenen van de voortdurende erkenning van de verbondsgemeenschap met Jehova. Maar in dit uitwendige, zinnelijke en zichtbare bij de offers, waaraan een groot deel van het volk hangen bleef, bestond toch, naar de bedoeling van de Wetgever, die ook door velen en in de loop der eeuwen altijd beter gekend werd, het eigenlijke wezen en de betekenis van de zaak niet; het moest tevens schaduwbeeld van iets hogers, van iets volkomens, iets toekomstigs zijn, dat zich in het offer van Christus als de volmaakte zelfopoffering en ware overgave aan God openbaart. De gehele wet, waartoe nu ook de offerdienst behoort, heeft maar een schaduw van de toekomende goederen, niet het beeld zelf van de zaken (Hebrews 10:1). Zo is de oudtestamentische offertheorie niet iets onwaars, maar iets onvolkomens, dat ons nu wijst op het volmaakte, dat daarvoor de weg baant en het voorbereidt.

Bij de behandeling van dit derde boek zijn wij er opnieuw in bevestigd, dat het niemand anders dan Mozes, de man Gods, tot auteur heeft gehad. De voorstelling van zaken, de aanwijzijng van de godsdienstige plechtigheden verraadt onmiskenbaar de man, die op Gods bevel, op Zijn onmiddellijke lastgeving, dat alles aan het oude Verbondsvolk heeft meegedeeld en gechreven in het boek, daartoe verordend. Het geheel toont duidelijk, dat het door n hand is geschreven, die zich nauwkeurig doel en omvang heeft voor ogen gesteld, en het bevestigt met het, voor de gelovigen alles afdoend woord, dat hem alles is meegedeeld en getoond, door niemand minder dan God zelf. Geen gezochte, maar een werkelijke, goddelijke, harmonische eenheid valt in dit boek niet te loochenen, maar duidelijk aan te wijzen. Alles concentreert zich, om het Heiligdom, dat Jehova onder Israël had opgericht. Alles bedoelt de heiligheid van het in zichzelf onheilig volk, opdat het Verbond, met hen opgericht, van kracht zou blijven, en de Verbondsweldaden mild tot hen konden uitstromen. En waar er soms veranderingen gebracht worden in eenmaal gegevene verordeningen, daar geschiedt dit, omdat de Heere zich altijd schikt naar de behoeften en toestanden van de Zijnen; daar heeft dit plaats, opdat Zijn volk steeds meer een volk zal worden, dat Hem gewillig dient, zonder enig mopperen; daar wordt dit gedaan, omdat de toestand van het volk ook anders is geworden. Vandaar dat ook gedurig nog geboden herhaald worden, niet, omdat aan dit boek verschillende grondschriften ten grondslag liggen, maar of, omdat de toestand enigszins anders is geworden, of omdat de Heere bij schijnbare herhaling toch met die voorschriften op iets wijzen wil, wat geheel past in het kader van de voor de eerste maal te geven rechten en instellingen (Leviticus 23:1, 26). Laten wij niet vergeten, dat Israël, als een volk van slaven, uit Egypte is gevoerd, en dat het daarom nodig was, dat het gedurig weer aan de wet van de tien geboden als grondwet op allerlei wijze werd herinnerd, opdat het zou leren, dat alle ceremoniële wetten dienden, opdat hun de wet van de zeden zou worden ingescherpt, en dat het volbrengen van wat God, op godsdienstig en burgerlijk gebied, verordende, moest strekken, opdat zij de tien geboden, de grondwet van het Koninkrijk Gods, zouden leren onderhouden. Alle ceremoniële wetten waren als even zovele trappen, die moesten dienen, dat Israël zou komen tot de geestelijke kennis en de aanbidding van een God, die zich in Christus Jezus, de te komen Messias, de eeuwige en grote Hogepriester, als een verzoend God, voor al Zijn volk openbaarde en zou openbaren..

Door geheel het Oude Testament heen zijn de denkbeelden verzoening en vrijlating naast elkaar geplaatst als een heenwijzing naar Christus en naar de vrucht van zijn werk. Christus werd geofferd, de zondaar vrijgelaten. Ook het denkbeeld van gedood te worden en uit de dood weer op te staan wordt in het zestiende hoofdstuk van Leviticus "over twee bokken" uitgedrukt, en dus de vrijlating van het offer zelf, dat reeds in Izak afgebeeld was. Ook wij, in Christus gestorven zijnde, zullen in Hem weer opstaan. De twee bokken moeten dus afzonderlijk voorstellen, wat zich in Christus verenigt, de dood en de opstanding. Het is hetzelfde met de ene duif, die gedood werd en de andere, die vrij naar de hemel vloog. Ook ligt hierin een zedelijke zin, want in de dingen van God is het ne afspiegeling van het andere, de oude mens moet ten onder gebracht worden, de nieuwe moet zich ten hemel verheffen..

Wij hebben in Leviticus gezien dat zowel de verzoening als de reiniging van de zondaar aan de offertheorie ten grondslag ligt. Het bloedige offer werd door de offeraar zelf tot zijn plaatsbekleder gewijd en dit zinnebeeldig door het leggen van zijn hand op de kop van het dier uitgedrukt, als om daardoor te verklaren dat hij zijn schuld op dit schuldeloze overbracht. In het gevoel van die schuld en met het verlangen God weer geheel toe te behoren, slachtte hij (niet de priester) het offerdier, terwijl hij daarmee betuigde dat hij zelf om zijn schuld de dood verdiend had, die het dier onderging en de wens uitdrukte dat God hem van de straf mocht ontheffen. Op de rechtvaardiging (verzoening) volgde nu ook de heiliging. Deze heiliging of toewijding van de zondaar aan Jehova werd zinnebeeldig uitgedrukt door het verbranden van al het vlees of een gedeelte daarvan met de (zogenaamde onbloedige) spijsoffers: brood en wijn, olie, wierook en zout. Dat dit alles maar zinnebeeldig was, zowel verzoening als heiliging, wordt door de schrijver van de brief aan de Hebreeën in het helderste licht gesteld, wanneer hij verklaart: "Indien het boed van de stieren en bokken en de as van de jonge koe, besprenkelende de onreinen, hen heiligt tot de reinheid van het vlees, hoeveel te meer zal het bloed van Christus, die door de eeuwige Geest zichzelf God onstraffelijk opgeofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken om de levende God te dienen?" Wat een gewichtige, heerlijke, vertroostende betekenis verkrijgt nu voor de gemeente der gelovigen, die juichen mag dat haar Pascha, namelijk Christus, geslacht is, de viering van het Heilig Avondmaal, als zijnde van harentwege een plechtige verklaring, welke zij aflegt: "O Lam Gods! Uw dood is ons leven," en een plechtige toewijding aan de dienst van Hem, die het haar aan dat Avondmaal doet ondervinden, dat zijn vlees waarlijk spijs en zijn bloed waarlijk drank is; die het haar op de stelligste wijze verzekert en verzegelt, dat Hij haar een eeuwige rustplaats bereid heeft in het Vaderhuis, waar zij Hem en de Vader altijd zal opofferen een offerande van lof, namelijk de vrucht van de lippen, die zijn maan beleiden. "Juich, o sterveling! Juich, verzoende! Juich, de pijl van de dood brak af: Jezus, voor uw schuld voldoende, Rukte het zegel van het graf. Jezus, uit de dood verheven, Is de waarborg van uw leven, Borgtocht van uw Heilgenot. Treed dan blij het sterfuur tegen; `t Is vervulling van de zegen: Uw Verlosser, ja, is God!

Vers 33

33. Hij zal, bij uitzondering daarvan tussen het goede en het kwade niet onderzoeken, niet vragen of het tiende stuk goed of kwaad is; hij zal het ook niet verwisselen, noch met een goede, noch met een zelfzuchtige bedoeling (Leviticus 27:10); maar indien hij het immers verwisselen zal en een ander voor dat tiende stuk geven, het zij dan beter of slechter, zo zal dit en wat daarvoor verwisseld is, zowel het rechte als het ondergeschovene, heilig, aan het heiligdom vervallen zijn; het zal niet gelost worden, want gij zult u geen ingrijpen in het eigendom van de Heere veroorloven.

In het Christelijk leven is er voor het "bijzonder" beloven geen plaats meer (1 Timothy 4:3); het behoort tot de uiterlijkheden van de toestand van onvolkomenheid (Galaten. 4:3). De Christen geeft zich voortdurend met lichaam, ziel en geest en al wat hij heeft, God ten offer, dat offer is levend, heilig en God welgevallig, dat is zijn redelijke godsdienst (Romans 12:1). Zo zijn dan ook de pauselijke beloften tegen de geest van het Evangelie. Daarentegen vernieuwt een Christen dagelijks zijn doopgelofte: te verloochenen de duivel de wereld, de zondige lusten van het vlees, en ook God en zijn Heere Jezus Christus te dienen; zijn leven lang en eigent zich in deze zaak toe wat in Psalms 50:14; Psalms 81:6; Psalms 66:13; Psalms 116:14,Psalms 116:18, over geloften gezegd wordt.

Slechts als het leven nog onder de wet is, staat ook de gelofte als een neiging om zijn eigen besluit, zijn eigen wil tot een bindende wet te maken, in overeenstemming met de algemene levensregel. Vandaar de geloften in het Oude Verbond en de nagalm van deze dingen in het leven van Paulus (Acts 18:18; Acts 21:24); ofschoon de daar vemelde toedracht van zaken de stempel draagt van een vervulling van de wet als godsdienstig gebruik, of als het letten van de liefde op de zwakheid van de naaste. Waar zulke aanleidingen wegvallen, zal de gelofte nergens als een vrucht van het ware evangelische leven kunnen worden aangetroffen. Zich in de werkzaamheid van de ware liefde door geloften te laten binden, kan alleen als vrees voor de zwakheid en weerspannigheid van het eigen hart verklaard en verontschuldigd worden en is, namelijk in zover het uit dit beginsel geschiedt, toe te laten, maar in ieder ander opzicht verwerpelijk; het moet voorgesteld worden als het afdalen tot een diepte, waaruit de in Christus tot vrijheid geborene voor altijd moest zijn verrezen. 34. Dit zijn de geboden, die de HEERE Mozes geboden 1) heeft, aan de kinderen van Israël, op en bij de berg Sinaï. 2)

1) Hierdoor verbindt Mozes aan de kennis van de wet de geloofwaardigheid ervan. Allereerst vanwege de autoriteit, omdat deze van God is gegeven. Vervolgens, omdat hij zichzelf niet de rol van wetgever heeft toebedeeld, maar omdat hij door God is gekozen, en geroepen, om dit ambt te vervullen. Doch van de kinderen van Israël verlangt Hij vertrouwen en achting, omdat hij tot hen is gezonden, als onderwijzer en leermeester..

2) De nu nog volgende wetten zijn door de Heere aan Mozes opgedragen, toen de toebereidselen, om uit de nabijheid van de Sinaï op te breken, reeds een aanvang hadden genomen en bestaan deels in tijdelijke voorschriften, deels in aanwijzingen voor bepaalde gevallen, deels in verdere ontwikkelingen van de reeds vroeger afgekondigde fundamentele wetten..

SLOTWOORD

In verband tot de beschrijving van de Tabernakel (Exodus 26:1) staat die van de verschillende offers in dit derde boek van Mozes. Het offer vinden wij reeds bij de eerste mensen (Genesis 4:4); later bij Noach (Genesis 8:20). Abraham is bereid, om zijn zoon God ten offer te brengen. Zo waren de offers reeds lang v r Mozes in gebruik, en dit zelfs onder de heidense volken. Reeds van het vroegste, in de Heilige Schrift voorkomende offers kan worden gezegd, dat zij door middel van een bijzondere Godsopenbaring de mens waren opgelegd. Hetzelfde kunnen wij nu ook zeggen van de verdere ontwikkeling van de offerdienst; ook deze behoort tot hetgeen Mozes op de berg is meegedeeld. De algemene betekenis van alle offers is de overgave van zichzelf en zijn innerlijke wezen en leven aan God; dit nu wordt uiterlijk voorgesteld en afgebeeld door het brengen van het beste, dat men bezit, aan Hem. Het was dus reeds naar het uitwendige een oefening in zelfverloochening en gehoorzaamheid aan het Goddelijk voorschrift; het was verbreking van eigen wil, buiging van die wil onder de wil van God, gelijk de zedewet de gehoorzaamheid van de harten, wat gezindheid, liefde en vertrouwen aangaat, moet regelen; tevens waren de offers tekenen van de voortdurende erkenning van de verbondsgemeenschap met Jehova. Maar in dit uitwendige, zinnelijke en zichtbare bij de offers, waaraan een groot deel van het volk hangen bleef, bestond toch, naar de bedoeling van de Wetgever, die ook door velen en in de loop der eeuwen altijd beter gekend werd, het eigenlijke wezen en de betekenis van de zaak niet; het moest tevens schaduwbeeld van iets hogers, van iets volkomens, iets toekomstigs zijn, dat zich in het offer van Christus als de volmaakte zelfopoffering en ware overgave aan God openbaart. De gehele wet, waartoe nu ook de offerdienst behoort, heeft maar een schaduw van de toekomende goederen, niet het beeld zelf van de zaken (Hebrews 10:1). Zo is de oudtestamentische offertheorie niet iets onwaars, maar iets onvolkomens, dat ons nu wijst op het volmaakte, dat daarvoor de weg baant en het voorbereidt.

Bij de behandeling van dit derde boek zijn wij er opnieuw in bevestigd, dat het niemand anders dan Mozes, de man Gods, tot auteur heeft gehad. De voorstelling van zaken, de aanwijzijng van de godsdienstige plechtigheden verraadt onmiskenbaar de man, die op Gods bevel, op Zijn onmiddellijke lastgeving, dat alles aan het oude Verbondsvolk heeft meegedeeld en gechreven in het boek, daartoe verordend. Het geheel toont duidelijk, dat het door n hand is geschreven, die zich nauwkeurig doel en omvang heeft voor ogen gesteld, en het bevestigt met het, voor de gelovigen alles afdoend woord, dat hem alles is meegedeeld en getoond, door niemand minder dan God zelf. Geen gezochte, maar een werkelijke, goddelijke, harmonische eenheid valt in dit boek niet te loochenen, maar duidelijk aan te wijzen. Alles concentreert zich, om het Heiligdom, dat Jehova onder Israël had opgericht. Alles bedoelt de heiligheid van het in zichzelf onheilig volk, opdat het Verbond, met hen opgericht, van kracht zou blijven, en de Verbondsweldaden mild tot hen konden uitstromen. En waar er soms veranderingen gebracht worden in eenmaal gegevene verordeningen, daar geschiedt dit, omdat de Heere zich altijd schikt naar de behoeften en toestanden van de Zijnen; daar heeft dit plaats, opdat Zijn volk steeds meer een volk zal worden, dat Hem gewillig dient, zonder enig mopperen; daar wordt dit gedaan, omdat de toestand van het volk ook anders is geworden. Vandaar dat ook gedurig nog geboden herhaald worden, niet, omdat aan dit boek verschillende grondschriften ten grondslag liggen, maar of, omdat de toestand enigszins anders is geworden, of omdat de Heere bij schijnbare herhaling toch met die voorschriften op iets wijzen wil, wat geheel past in het kader van de voor de eerste maal te geven rechten en instellingen (Leviticus 23:1, 26). Laten wij niet vergeten, dat Israël, als een volk van slaven, uit Egypte is gevoerd, en dat het daarom nodig was, dat het gedurig weer aan de wet van de tien geboden als grondwet op allerlei wijze werd herinnerd, opdat het zou leren, dat alle ceremoniële wetten dienden, opdat hun de wet van de zeden zou worden ingescherpt, en dat het volbrengen van wat God, op godsdienstig en burgerlijk gebied, verordende, moest strekken, opdat zij de tien geboden, de grondwet van het Koninkrijk Gods, zouden leren onderhouden. Alle ceremoniële wetten waren als even zovele trappen, die moesten dienen, dat Israël zou komen tot de geestelijke kennis en de aanbidding van een God, die zich in Christus Jezus, de te komen Messias, de eeuwige en grote Hogepriester, als een verzoend God, voor al Zijn volk openbaarde en zou openbaren..

Door geheel het Oude Testament heen zijn de denkbeelden verzoening en vrijlating naast elkaar geplaatst als een heenwijzing naar Christus en naar de vrucht van zijn werk. Christus werd geofferd, de zondaar vrijgelaten. Ook het denkbeeld van gedood te worden en uit de dood weer op te staan wordt in het zestiende hoofdstuk van Leviticus "over twee bokken" uitgedrukt, en dus de vrijlating van het offer zelf, dat reeds in Izak afgebeeld was. Ook wij, in Christus gestorven zijnde, zullen in Hem weer opstaan. De twee bokken moeten dus afzonderlijk voorstellen, wat zich in Christus verenigt, de dood en de opstanding. Het is hetzelfde met de ene duif, die gedood werd en de andere, die vrij naar de hemel vloog. Ook ligt hierin een zedelijke zin, want in de dingen van God is het ne afspiegeling van het andere, de oude mens moet ten onder gebracht worden, de nieuwe moet zich ten hemel verheffen..

Wij hebben in Leviticus gezien dat zowel de verzoening als de reiniging van de zondaar aan de offertheorie ten grondslag ligt. Het bloedige offer werd door de offeraar zelf tot zijn plaatsbekleder gewijd en dit zinnebeeldig door het leggen van zijn hand op de kop van het dier uitgedrukt, als om daardoor te verklaren dat hij zijn schuld op dit schuldeloze overbracht. In het gevoel van die schuld en met het verlangen God weer geheel toe te behoren, slachtte hij (niet de priester) het offerdier, terwijl hij daarmee betuigde dat hij zelf om zijn schuld de dood verdiend had, die het dier onderging en de wens uitdrukte dat God hem van de straf mocht ontheffen. Op de rechtvaardiging (verzoening) volgde nu ook de heiliging. Deze heiliging of toewijding van de zondaar aan Jehova werd zinnebeeldig uitgedrukt door het verbranden van al het vlees of een gedeelte daarvan met de (zogenaamde onbloedige) spijsoffers: brood en wijn, olie, wierook en zout. Dat dit alles maar zinnebeeldig was, zowel verzoening als heiliging, wordt door de schrijver van de brief aan de Hebreeën in het helderste licht gesteld, wanneer hij verklaart: "Indien het boed van de stieren en bokken en de as van de jonge koe, besprenkelende de onreinen, hen heiligt tot de reinheid van het vlees, hoeveel te meer zal het bloed van Christus, die door de eeuwige Geest zichzelf God onstraffelijk opgeofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken om de levende God te dienen?" Wat een gewichtige, heerlijke, vertroostende betekenis verkrijgt nu voor de gemeente der gelovigen, die juichen mag dat haar Pascha, namelijk Christus, geslacht is, de viering van het Heilig Avondmaal, als zijnde van harentwege een plechtige verklaring, welke zij aflegt: "O Lam Gods! Uw dood is ons leven," en een plechtige toewijding aan de dienst van Hem, die het haar aan dat Avondmaal doet ondervinden, dat zijn vlees waarlijk spijs en zijn bloed waarlijk drank is; die het haar op de stelligste wijze verzekert en verzegelt, dat Hij haar een eeuwige rustplaats bereid heeft in het Vaderhuis, waar zij Hem en de Vader altijd zal opofferen een offerande van lof, namelijk de vrucht van de lippen, die zijn maan beleiden. "Juich, o sterveling! Juich, verzoende! Juich, de pijl van de dood brak af: Jezus, voor uw schuld voldoende, Rukte het zegel van het graf. Jezus, uit de dood verheven, Is de waarborg van uw leven, Borgtocht van uw Heilgenot. Treed dan blij het sterfuur tegen; `t Is vervulling van de zegen: Uw Verlosser, ja, is God!

Bibliografische Informatie
Dächsel, Karl August. "Commentaar op Leviticus 27". "Dächsel Bijbelverklaring". https://www.studylight.org/commentaries/dut/dac/leviticus-27.html. 1862-80.
 
adsfree-icon
Ads FreeProfile